De test

De arts wees naar de deur achter haar. “Daar is de WC” zei ze tegen mij. Ze gaf me een plastic potje met een gekleurde deksel, zo’n potje waar kinderen lieveheersbeestjes in verzamelen. Ik trok me terug in de ruimte achter de deur, nam plaats op de bril en liet mijn plas lopen. Ik mikte mijn straal in het potje. Wat een power! Algauw was het potje tot halverwege gevuld. Door de kracht van mijn straal waren ook mijn handen en polsen met urine beneveld en dropen de druppels langs de buitenkant van het potje. Ik keek even om mij heen, zette toen het druipende potje op de rand van de wastafel naast mij. Binnen handbereik, op een kastje onder de wastafel, lag een stapel keukendoeken. Ik had mijn handen kunnen afvegen aan zo’n doek en hem, keurig opgevouwen, weer terug in het mandje kunnen leggen. In de kamer van de arts, ze was intussen iets aan het bespreken met een collega op de gang, had ik het druipende potje, dat mijn lichaamstemperatuur had aangenomen, op haar bureau kunnen zetten zodat het een kring had achtergelaten als je het had opgepakt. Ik had haar potlood even in mijn urine kunnen dopen. Ik had er zelfs een flinke scheut van in haar mok thee kunnen gooien. Ja, zo had het kunnen gaan.