Baby in Brussel

De vliezen braken op het moment van de eerste explosie in de vertrekhal van vliegveld Zaventem. Woesj, het lichaamsvocht stroomde over de badkamervloer. Woesj, een paar kilometer verderop werden de mensen als playmobilpoppetjes door de lucht geblazen. De ontploffing was wel te horen maar ontging haar. Ze greep zich vast aan de wastafel, de wee deed haar wankelen. Haar vriend wreef over haar rug, maakte sussende geluiden. De tweede explosie klonk. De ramen van de badkamer trilden in hun sponningen, hij registreerde het maar stond er verder niet bij stil, zijn zoon was bezig met zijn tocht door het geboortekanaal.

Een paar uur later zaten ze in de auto, de weekendtas met rompertjes aan haar voeten. Het signaal ‘gordel vast’ piepte, ze had haar armen om haar knieën geslagen, ze kermde temidden van haar weeënstorm. Aan de horizon stond een pluim van rook, helikopters zwermden door de lucht, ambulances scheerden voorbij.

Tussen de weeën door keek ze uit het autoraam naar buiten. Er waren minder mensen op straat dan normaal, rolluiken waren gesloten. Ze waren gedwongen een omweg te nemen, keer op keer stuitten ze op een afzetting van rood-wit lint. Nee, ze konden geen uitzondering maken voor een barende vrouw. ‘Shit!’ Haar vriend sloeg met vlakke handen op het stuur. ‘Shit! Shit!’ Een agent gebaarde dat ze een zijstraat moesten nemen. Ze stopten voor een zebrapad, een groepje mensen stak over, ze zagen er gehavend uit, ontheemd, gewond. Zag ze sporen van bloed op hun gezicht? Waarom ontfermde niemand zich over hen?

In een weeloos moment dacht ze terug aan de dag van gister, de zon had geschenen, ze had in soezerige rust verkeerd, haar handen om haar voldragen buik gevouwen. We zijn er klaar voor, had ze gedacht. Nu was ze daar niet meer zo zeker van. Wat betekende het, dat haar kind op deze dag werd geboren?

Bij het ziekenhuis was het een grote chaos. Het parkeerterrein was vol, ze zetten de auto ergens in een berm, ze strompelde, struikelde aan de hand van haar vriend naar de ingang. Als je haar buik niet zag zou je denken dat ze een slachtoffer was van de aanslag. Alle rolstoelen waren uitgeleend, de draaideur die toegang gaf tot de hal van het ziekenhuis stokte onophoudelijk omdat er teveel mensen naar binnen wilden. Ze had pijn, verschrikkelijke pijn, de weeën leken haar ingewanden uiteen te rijten maar ze verbeet zich, ze beet zich de tanden door haar lip. Het waren maar weeën, ze had al mensen gezien die ledematen misten.

‘Gaat het, gaat het?’ vroeg haar vriend telkens. Hij had een betraand gezicht. ‘Gaat het?’ Hij vroeg het niet alleen aan haar, hij schoot gewonden aan die in de gangen zaten, maar hulp bieden kon hij niet want ze moesten voort, ze had al persdrang.

Verloskunde zat op de eerste verdieping, treetje voor treetje namen ze de trap want er stonden drommen mensen bij de lift. ‘Auw auw, auw auw,’ jammerde ze zachtjes, terwijl ze zich omhoog hees. Ze keek niet meer om zich heen, hield haar blik op het linoleum gericht.

Zacht zoevende klapdeuren scheidden het verloskwartier van de rest van het ziekenhuis. Er heerste een bijna serene rust, de vroedvrouw bij wie ze al vaker consulten hadden gehad stond ze zowaar op te wachten. Blijmoedig en kordaat, alsof ze nergens weet van had, loodste ze hen naar de dichtstbijzijnde kamer, duwde haar op het bed en stelde in een oogwenk vast dat ze volledige ontsluiting had.

‘Persen maar, meid, zoals je het geleerd hebt hè!’

Nog geen half uur later hadden ze hem in handen, kerngezond en ruim zeven pond zwaar. Ergens op de gang stond een televisie aan, ze vingen flarden op van de toespraak van de koning. ‘Voor ieder van ons zal deze dag nooit meer een dag zijn als een andere,’ zei hij, het dodental was inmiddels opgelopen tot bijna dertig.

Op een gemiddelde dag worden in een stad als Brussel ongeveer zestig kinderen geboren.