Liefde, oorlog en taal

‘Veteraan na zeventig jaar herenigd met zijn geliefde.’ Het had een verhaal van Sebastian Faulks kunnen zijn, schrijver van Birdsong, een prachtig boek over de Eerste Wereldoorlog. Maar het was een bericht op NU.nl, een paar dagen geleden.
Norwood Thomas en Joyce Morris waren aan het eind van de Tweede Wereldoorlog enkele weken een liefdeskoppel. Thomas was parachutist in het Amerikaanse leger en boven Engeland gedropt. In het filmpje dat bij het bericht is geplaatst vertelt Thomas, 93 jaar oud en uitgedost met een baseballpet, hoe de ontmoeting destijds verliep. Op een zonnige dag in het voorjaar van 1944 liep hij met een andere soldaat langs de Thames en zagen ze twee meisjes die een roeiboot wilden huren, ‘to get some exercise.’ Ze sloten zich bij hen aan en haalden ze over om twee boten te huren, ‘so that they could both get some exercise.’
Het boottochtje pakt goed uit voor de mannen, althans voor Thomas. Zoals hij het zelf in een verfijnde volzin omschrijft; ‘it rapidly developed into something from attraction to a very strong affection.’ Hoewel de camera hem niet dicht op de huid zit zie je zijn ogen twinkelen onder zijn baseballpet. Oorlog blijft echter oorlog en zijn regiment wordt voor de invasie naar Normandië geroepen. Na de overwinning, hij overleeft de strijd kennelijk ongeschonden, keert hij terug naar zijn liefje in London maar wordt hij al snel door het leger gesommeerd thuis te komen. Er wordt hem nauwelijks tijd gegund om afscheid te nemen.
In de periode die volgt blijven de geliefden elkaar schrijven. Of het lange of korte brieven zijn, of het er een paar zijn of meer dan honderd, of ze elkaar ook foto’s toesturen, we weten het niet. Wat we wel weten is dat op een bepaald moment de brievenstroom stilvalt omdat Morris dacht dat hij een ander had, terwijl Thomas haar juist een huwelijksaanzoek deed.
Een schrijnender voorbeeld van de onmacht van taal is haast niet denkbaar. Je zou bijna gaan denken dat Pauline Cornelisse het bij het recht eind heeft als ze in haar bundel ‘Taal is zeg maar echt mijn ding’ stelt dat taal misschien wel meer verwarring veroorzaakt dan duidelijkheid brengt. In welke omfloerste bewoordingen moet Thomas zijn aanzoek wel niet hebben verpakt om Morris zo op het verkeerde been te zetten? Gebruikte hij een synoniem voor het platgetreden will you marry me? Schreef hij zo verdomd slordig? Het is een intrigerende vraag, zeker als je hem, zeventig jaar na dato, zorgvuldig ziet formuleren voor de camera. Als vanzelf dringen zich alternatieve verklaringen op; zij had toch kennis gekregen aan iemand anders of haar ouders hadden de geheime correspondentie onderschept en vonden het maar niets, zo’n yankee.
Intussen wordt er ingezoemd op de verstrengelde handen van het liefdespaar. Haar zonen hebben Thomas opgespoord via het internet en door een crowdfundingactie is hij in staat gesteld om de vliegreis naar de andere kant van de wereld te maken. Morris woont inmiddels in Australië, ze heeft een huwelijk van dertig jaar achter de rug. Thomas is weduwnaar. Hij heeft zijn pet afgelegd, in de mouw van zijn bloese prijkt een messcherpe vouw. Met een stralende blik kijkt ze naar hem op. Ze blijft maar lachen. ‘This is the most wonderfull thing that ever happened to me,’ zegt hij. Taal is ineens weer heel simpel.

Liefde, oorlog en taal